“Ik wil het allemaal niet weten, van de wereld en de mensen die erin werken”

Elk week geeft columniste An Olaerts haar ongecensureerde kijk op de arbeidsmarkt en de wereld ver daarbuiten. Deze week ziet ze een wereld vol werknemers in haar douche passeren.

Wc geweest. Handdoek vers. Scheermesje check. Nog een kwartier. Tanden niet meegerekend. Negligé in de wasmand. Blote billen. Niet kijken. Dikke kont. Kraan aan. Beetje shampoo. Water warm. En dan begint het. Wij hebben dat thuis niet. Bij ons is het water alleen warm als je ziek bent of doodgaat. De uitspraak komt van twee Afrikaanse broers die hier vorig jaar op vakantie waren en met hun verwondering in de krant stonden. Het schiet me door de kop wanneer ik sta te douchen. En pardoes vallen twee extra onderbroeken in de wasmand, staan we ons met zijn drieën in te zepen.

De douche is klein en de douche is er niet op voorzien, maar er komt nog volk bij: de graficus die het logo op shampoofles heeft bedacht, de marketingmanager die het logo heeft goedgekeurd, de scheikundige die de bloemengeur heeft uitgerekend en de dierenarts die het proefkonijn heeft onderzocht. Dat maakt zeven mensen in één douche. Ik mag zo ver niet nadenken, zeker niet voor acht uur 's morgens. Ik moet het trouwens allemaal niet weten, van de wereld en de mensen die erin werken. Een kortzichtig wasje in de ochtend, kan dat nu moeilijk zijn. Het is al te laat. Een Koeweiti met een snor en een harembroek kleedt zich uit en vervoegt ons. Hij verdient niet veel. Hij houdt toezicht op een olieveld, rijdt de hele dag rond in de stekende zon. Zolang de ja-knikkers knikken is er niets aan de hand. 29 miljoen olievaten per dag in maart, van 69 tot 85 dollar per ton. Ook om shampoo mee te maken.

In Brussel is een marktenzaal waar schermen zoemen en koersen schommelen. Ik wou dat ik van niets wist, van de wereld en de mensen die erin werken, maar er staat al een trader bij de deur. Hij knoopt zijn hemd los en pakt een handdoek uit de kast. Die handdoek is van een goed merk, made in Germany, geplukt op een katoenveld in India, verscheept met een containerschip uit Bangladesh. En hup, een Pruis, een Indiër en een Bengaal willen mee onder de douche. Intussen sta ik met mijn billen strak tegen de tegels. Want plaats is er niet meer en plaats is er alsmaar minder, want de tegels zijn gemaakt van vijf soorten klei uit vier Italiaanse kleigroeves, twee keer gebakken op 1.000. Goed voor alweer vijf blote piemels, achtereenvolgens van twee bulldozerbestuurders, een trucker, een ingenieur en de fabrieksoperator die de temperatuur van de ovens controleert.

Je zult het maar aan de hand hebben, tegels in de badkamer en een ruime blik op de wereld en de mensen die erin werken. Ik kan het denken niet stoppen. Prompt komen er nog bij: drie sterke mannen van Mittal Steel (de kraan!), meneer Thoelen uit Scherpenheuvel (de tegelvoegen!) en twee supporters van Standard wegens werkzaam in de cementfabriek van Luik. Ten slotte krijg ik ook nog ministerieel bezoek. Joke Schauvliege van leefmilieu en afvoerputje heeft alleen nog sokken aan. Freya Vandenbossche van energie en gasketel in de kelder heeft het schaamrood op de wangen. Joëlle Milquet van werk en direct ben ik te laat op mijn werk, heeft zélf shampoo bij. Terwijl ik het allemaal niet wil weten, van de wereld en de mensen die erin werken. Ik moet dringend, dringend weg naar de ontbijttafel van pakweg 361.666 Vacaturelezers. En ik kan mijn onderbroek nergens vinden.

Lees ook de andere columns van An Olaerts