Foutmelding

  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.
  • There are no workflow states available. Please notify your site administrator.

‘Ben ik mijn werk?’ doorheen de eeuwen

Hoe belangrijk was werk voor onze identiteit en sociale status in vroegere tijden? In sneltreinvaart doorheen de eeuwen, met de Nederlandse filosoof Rob Wijnberg als gids.

De Grieken en Romeinen: slaven aan het werk

In de prechristelijke tijd werden bijna alle vormen van arbeid, en zeker de fysieke varianten ervan, beschouwd als een intrinsiek slaafse activiteit. Op die grond werd eeuwenlang de slavernij gerechtvaardigd: arbeid moest nu eenmaal worden verricht, dus slaven houden was onvermijdelijk. Maar wie het zich kon permitteren niet te werken, deed het liever niet. Rob Wijnberg: “De Griekse wijsgeer Aristoteles zag werk als een belemmering voor datgene waar het in het leven echt om draaide, namelijk geestelijke ontplooiing en het metafysische.”

De middeleeuwen: leenheren en ambachtsgilden

In de middeleeuwen draaide alles om rechten en plichten van mensen en grondgebieden. Onderaan de schaal stonden de lijfeigenen met geen rechten en veel plichten en bovenaan de schaal de vrijen met als belangrijkste groepen de adel en de geestelijken. Ergens tussenin bevonden zich de horigen. Heel bekend is het feodale stelsel van leenheer en leenman. Het ging hier om vrije mannen die een overeenkomst maakten met elkaar, waarin de leenman een leen ontving van de leenheer, meestal een stuk land. In ruil voor het leen moest de leenman zich aan de leenheer onderwerpen en trouw beloven. De sociale status van een middeleeuwse arbeider hing af van de gilde waar hij al dan niet toe behoorde. Als je als bakker lid was van een gilde was je brood van goede kwaliteit. Om lid te worden moest je eerst een meesterproef doen.

De Industriële Revolutie: de industriebaas versus de arbeider

Met de Industriële Revolutie, die eind 18de eeuw startte, kwamen de productiemiddelen in handen van private eigenaars. Kleine, ambachtelijke werkplaatsen groeiden uit tot grote fabrieken. Arbeiders ‘verkochten’ hun arbeid in ruil voor loon, terwijl de kapitaalkrachtigen dankzij de geproduceerde meerwaarde (winst) zelf niet hoefden te werken. Rob Wijnberg: “Karl Marx zag deze betaalde arbeid als een vorm van uitbuiting. De arbeider werd tot ‘object’ in een productieproces gedegradeerd.”

19de en 20ste eeuw: je bent wat je doet

De filosofische weerzin tegen werk kan deels herleid worden tot abominabele arbeidsomstandigheden. Het heeft tot de twintigste eeuw geduurd voordacht arbeiders echt rechten kregen en hun belangen door een vakbond werden behartigd. Tot die tijd was de werkdag lang, het salaris laag en de voorwaarden nauwelijks menswaardig. Met pensioen gaan was bovendien ondenkbaar, de meeste mensen haalden de huidige pensioenleeftijd niet eens. Ter vergelijking: in 1840 werkte een Europeaan gemiddeld 3.000 in plaats van de nu gebruikelijke 1.500 uur per jaar.

Volgens Rob Wijnberg zorgde vooral de opkomst van het existentialisme voor een radicaal nieuwe, positievere kijk op arbeid. Wijnberg: “De mens werd niet langer begrepen in termen van tijdloze eigenschappen (wat hij is), maar in termen van tijds- en plaatsgebonden praxis (wat hij doet). Of met de woorden van Sartre: ‘Zijn is handelen’. In dit basisidee van het existentialisme ligt de kiem van de opvatting dat je bent wat je doet, of ik werk, dus ik ben. Je zou zelfs kunnen stellen dat het aan deze existentialistische wending te danken is dat er anno 2011 zoveel belang gehecht wordt aan zelfontplooiing en groeimogelijkheden binnen het werk. Wie is wat hij doet, beschouwt stilstand in zijn carrière immers automatisch als stilstand in zijn persoonlijke ontwikkeling.”

Terug naar het coververhaal '3 filosofen over de relatie tussen werk en identiteit'