Conclusie
Uit dit onderzoek kunnen we 5 fundamentele conclusies trekken
De taalrealiteit
De taalrealiteit toont aan dat Franstaligen zelden een inspanning doen om Nederlands te praten met hun Nederlandstalige collega's. Het zijn eerder die laatsten die zich aanpassen. De Franstaligen erkennen nochtans dat het noodzakelijk is om Nederlands te leren en ze geven te kennen dat ze liever in een Nederlandstalig team zouden werken. De Vlamingen geven toe dat Franstaligen beter Frans praten tijdens een meeting, kwestie van efficiëntie. Zij ergeren zich meer aan taalkwesties en willen liever werken met collega's die zich in hun taal uitdrukken.
Rekrutering
Leidt die ergernis ertoe dat Nederlandstaligen liever Nederlandstaligen aanwerven? Misschien. Het aantal Nederlandstaligen die verklaren dat ze liever een Nederlandstalige dan een Franstalige kandidaat met dezelfde kwalificaties aannemen, is veel groter.
De werkrealiteit
De werkrealiteit toont uiteindelijk weinig verchillen tussen Vlamingen en Walen. Taalaanhorigheid heeft veel minder invloed dan een heleboel andere factoren, zoals bijvoorbeeld gezinsachtergrond.
Toch zijn er 2 verschillen: Franstaligen zijn flexibeler op het vlak van mobiliteit, en Vlamingen zijn meer gesteld op het behoud van de werkmodaliteiten.
Hardnekkige clichés
Vlamingen zijn stelliger in hun beoordeling, Walen zijn iets genuanceerder. Nederlandstaligen worden beschouwd als doeltreffender, ambitieuzer en beter georganiseerd. Franstaligen daarentegen onderscheiden zich in menselijke en relationele kwaliteiten.
Genuanceerde resultaten
We kunnen vaststellen dat taalaanhorigheid slechts een secundaire invloed heeft op de attitude en het gedrag van werknemers. Gezinsachtergrond, politieke voorkeur en sector spelen een grotere rol dan taal.










