Home › Carrière-info › Vraag en antwoord › Veelgestelde vragen: Verlof en tijdskrediet
Wat zijn de nieuwe regels rond moederschapsverlof?
| 6 oktober 2004 |
 |
| "Sinds 1 juli 2004 zijn er een aantal wijzigingen van kracht
in de wetgeving rond moederschapsverlof..." |
 |
| ANTWOORD
Op 1 juli 2004 werden er een aantal wijzigingen
doorgevoerd in de wetgeving rond het moederschapsverlof.
Dit verlof omvat nog steeds vijftien weken, maar de verdeling tussen de
prenatale rust (of zwangerschapsrust) en de postnatale rust (of bevallingsverlof)
werd veranderd. Ook wordt de postnatale rust verlengd indien de pasgeboren
baby gehospitaliseerd dient te worden na de eerste zeven dagen na de geboorte.
De nieuwe regels zijn van toepassing op alle bevallingen vanaf 1 juli
2004. We zetten de belangrijkste veranderingen op een
rijtje. Een schematische voorstelling van de verschillen
tussen de situatie vóór en na 1 juli 2004 vind je onderaan. |
 |
| Veranderingen sinds 1 juli 2004 |
- Werkneemsters hebben nu recht op 6 weken prenatale rust
(8 weken voor meerlingen), voorafgaand aan de vermoedelijke bevallingsdatum.
Vóór 1 juli 2004 bedroeg de prenatale rust periode 7 weken
(9 weken voor meerlingen).
- De eerste 5 weken zijn facultatief
op te nemen (bij meerlingen zijn dat de eerste 7 weken). De laatste
week voor de vermoedelijke bevallingsdatum is de werkneemster
verplicht prenatale rust te nemen. Vroeger waren de
eerste 6 weken facultatief (8 in geval van meerlingen). Aan de verplichte
laatste week rust is niets veranderd.
- Vóór 1 juli 2004 was de werkneemster verplicht om 8
weken postnatale rust te nemen. Nu is de verplichte postnatale
rust uitgebreid naar 9 weken.
- De werkneemster mag de prenatale rustdagen die zij niet heeft opgenomen
volledig vrijblijvend toevoegen aan haar postnatale rust. Het niet-opgenomen
deel van de prenatale rust is de periode waarin de werkneemster
verder werkt binnen de 6 weken (in geval van meerlingen 8 weken) voorafgaand
aan de werkelijke bevallingsdatum, met uitsluiting van de laatste 7
dagen vóór die datum. De postnatale rust
kan dus met maximum 5 weken (in geval van meerlingen:
maximum 7 weken) verlengd worden door niet-opgenomen
prenatale rust. Vóór 1 juli 2004 werd het niet-opgenomen
deel van de prenatale rust beschouwd als de periode waarin de werkneemster
verder werkt binnen de 7 weken (in geval van meerlingen: 9 weken) voorafgaand
aan de werkelijke bevallingsdatum, met uitsluiting van de laatste 7
dagen vóór die datum. Toen kon de postnatale rust met
maximum 6 weken (in geval van meerlingen: maximum 8 weken) verlengd
worden door niet-opgenomen prenatale rust.
- Niet alleen hebben werkneemsters bij de geboorte van meerlingen
recht op 8 weken prenatale rust (in plaats van 6 weken
bij geboorte van niet-meerlingen), ook mogen ze aan het totaal van hun
moederschapsverlof nog eens twee weken toevoegen. De
werkneemster kan deze 2 weken vrij opnemen ofwel vóór
de bevalling ofwel na de bevalling maar dient hiervoor een verzoek in
te dienen. Het moederschapsverlof kan dus maximum 17 weken bedragen.
De postnatale rust kan maximum 16 weken bedragen.
- Als de pasgeboren baby in het ziekenhuis moet blijven,
gold vroeger de volgende regeling: Normaal gezien moet de overgedragen
prenatale rust onmiddellijk aansluiten op de verplichte postnatale rust,
maar wanneer het kind gedurende minstens 8 weken vanaf de geboorte in
het ziekenhuis moet blijven, kan de opname van de prenatale rust uitgesteld
worden tot de dag waarop het kind naar huis komt. Sinds juli 2004 kan
de postnatale rust verlengd worden wanneer het kind
in het ziekenhuis moet blijven in de periode na de eerste 7 dagen te
rekenen vanaf de geboorte. De verlenging kan overeenstemmen met een
periode gelijk aan de periode waarin het kind in het ziekenhuis moet
blijven na die eerste 7 dagen. Deze verlenging wordt beperkt tot maximaal
24 weken. Om deze verlenging te bekomen, moet de werkneemster aan de
werkgever:
- een attest van het ziekenhuis bezorgen bij het einde van de postnatale
rust, waaruit blijkt dat het kind opgenomen blijft na de eerste
7 dagen vanaf de geboorte en met de vermelding van de duur van de
opname;
- eventueel een nieuw attest bezorgen bij het einde van de verlenging
van de postnatale rust, waaruit blijkt dat het kind nog steeds het
ziekenhuis niet heeft verlaten en met vermelding van de duur van
de opname.
Ook aan het ziekenfonds bezorgt de werkneemster een attest van het ziekenhuis
met de duur van de hospitalisatie van het kind. Tijdens deze nieuwe
verlengingsperiode kan de werkneemster moederschapsuitkeringen genieten.
|
 |
| Vóór 1 juli 2004 |
Vanaf 1 juli 2004 |
Prenatale rust: laatste 7 weken voorafgaand
aan de vermoedelijke bevallingsdatum.
Bij meerlingen: 9 weken
|
Prenatale rust: laatste 6 weken voorafgaand
aan de vermoedelijke bevallingsdatum.
Bij meerlingen: 8 weken
|
| De opname van de eerste 6 weken van de prenatale
rust is facultatief. Bij geboorte van meerlingen
zijn de eerste 8 weken facultatief. De laatste week
vóór de vermoedelijke bevallingsdatum moet de werkneemster
verplicht prenatale rust nemen. |
De opname van de eerste 5 weken van de prenatale
rust is facultatief. Bij geboorte van meerlingen
zijn de eerste 7 weken facultatief. De laatste week
vóór de vermoedelijke bevallingsdatum moet de werkneemster
verplicht prenatale rust nemen. |
| Gedurende 8 weken vanaf de bevalling is de werkneemster
verplicht postnatale rust te nemen. |
Gedurende 9 weken vanaf de bevalling is de werkneemster
verplicht postnatale rust te nemen. |
| De werkneemster mag het niet-opgenomen deel van de prenatale rust
overdragen en toevoegen bij de postnatale rust. De werkneemster beslist
zelf of ze gebruik- maakt van deze mogelijkheid.
Het niet-opgenomen deel van de prenatale rust is de periode waarin
zij verder werkt binnen de 7 weken (in geval van
meerlingen: 9 weken) voorafgaand aan de werkelijke
bevallingsdatum, met uitsluiting van de laatste 7 dagen vóór
die datum.
Bijgevolg kan de postnatale rust met maximum
6 weken (in geval van meerlingen: maximum 8 weken) verlengd
worden door niet-opgenomen prenatale rust.
|
De werkneemster mag het niet-opgenomen deel van de prenatale rust
overdragen en toevoegen bij de postnatale rust. De werkneemster beslist
zelf of ze gebruik- maakt van deze mogelijkheid.
Het niet-opgenomen deel van de prenatale rust is de periode waarin
zij verder werkt binnen de 6 weken (in geval van
meerlingen: 8 weken) voorafgaand aan de werkelijke
bevallingsdatum, met uitsluiting van de laatste 7 dagen vóór
die datum.
Bijgevolg kan de postnatale rust met maximum
5 weken (in geval van meerlingen: maximum 7 weken) verlengd
worden door niet-opgenomen prenatale rust.
|
In principe bedraagt het moederschapsverlof 15 weken.
In geval van geboorte van meerlingen wordt deze periode verlengd
met 2 weken. De werkneemster kan deze extra 2 weken vrij opnemen
ofwel vóór de bevalling ofwel na de bevalling.
Bijgevolg kan het moederschapsverlof maximaal 17 weken bedragen.
De postnatale rust kan maximaal 16 weken bedragen.
|
In principe bedraagt het moederschapsverlof 15 weken. In geval van
geboorte van meerlingen wordt deze periode verlengd met 2 weken. De
werkneemster kan deze extra 2 weken vrij opnemen ofwel vóór
de bevalling ofwel na de bevalling.
De postnatale rust, eventueel reeds verlengd met
de niet-opgenomen prenatale rust, kan nog eens verlengd
worden met een periode van maximaal 2 weken in geval van geboorte
van een meerling. De verlenging gebeurt enkel op verzoek
van de werkneemster.
Bijgevolg kan het moederschapsverlof maximaal 19 weken
bedragen. De postnatale rust kan maximaal 18 weken bestrijken.
|
De overgedragen prenatale rust moet in principe onmiddellijk aansluiten
op verplichte postnatale rust van 9 weken.
Wanneer het kind gedurende minstens 8 weken vanaf de geboorte in het
ziekenhuis moet blijven, kan de opname van
de overgedragen prenatale rust uitgesteld
worden tot de dag waarop het kind naar huis komt.
|
De postnatale rust kan verlengd worden
wanneer het kind in het ziekenhuis moet blijven in
de periode na de eerste 7 dagen te rekenen vanaf de geboorte. De verlenging
kan overeenstemmen met een periode gelijk aan de periode waarin het
kind in het ziekenhuis moet blijven na die eerste 7 dagen.
Deze verlenging wordt beperkt tot maximaal 24 weken.
Om deze verlenging te bekomen moet de werkneemster aan de werkgever:
- een attest van het ziekenhuis bezorgen bij het einde van de postnatale
rust, waaruit blijkt dat het kind opgenomen blijft na de eerste
7 dagen vanaf de geboorte en met de vermelding van de duur van de
opname;
- eventueel een nieuw attest bezorgen bij het einde van de verlenging
van de postnatale rust, waaruit blijkt dat het kind nog steeds het
ziekenhuis niet heeft verlaten en met vermelding van de duur van
de opname.
Ook aan het ziekenfonds bezorgt de werkneemster een attest van
het ziekenhuis met de duur van de hospitalisatie van het kind.
Tijdens deze nieuwe verlengingsperiode kan de werkneemster moederschapsuitkeringen
genieten.
|
|
 |
| Fabienne Lallemand, Tax & Legal Manager SD WORX
|
 |
De inhoud van deze tekst heeft
een louter informatief karakter.
De lezer kan geen rechten ontlenen aan deze tekst.
Voorgaande vragen worden bewaard in het archief
van de Vraag van de Week. |
Meer over Vraag en antwoord